Eigen Vuur – een tussenstand


Tijdens het schrijven van Duivelsberg kwam een nieuw thema bijna als vanzelfsprekend naar voren. Tussen de regels door kreeg ik zo hier en daar een vermoeden van eigen vuur. In de gevechtsverslagen en verhoren duikt het zo nu en dan op – meestal in een bijzin, bijna nooit het onderwerp. Immers, de onderzoeken waren in hoofdzaak gericht op het opsporen en bestraffen van de “lafhartigen”.

Door gericht te onderzoeken, aangevuld met wat veldonderzoek, werd het beeld completer en duidelijk: er was gewoon sprake van systematisch eigen vuur, en ook nog eens “op bevel”.

Sinds begin dit jaar werk ik aan een nieuw boek dat dit thema voor het eerst systematisch in kaart brengt: Eigen Vuur. Tijd voor een tussenstand.

Wat er ligt

Het manuscript telt inmiddels zo’n 170 pagina’s, verdeeld over ruim vijfentwintig hoofdstukken. Elk hoofdstuk behandelt één incident, chronologisch geordend van de voorposten op 11 mei tot de gevechten rond de stoplijn op 13 mei. Sommige gevallen zijn klein en snel voorbij: een sectie die kort onder vuur van een neveneenheid komt. Andere zijn omvangrijk en schrijnend – zoals de sectie van sergeant-capitulant Niemantsverdriet, waarvan twaalf man na hun gevangenneming sneuvelden door vuur vanaf de eigen Grebbeberg.

Het boek beschrijft ook de spiegelzijde: de momenten waarop eigen vuur juist werd voorkomen of gestaakt, omdat iemand op tijd zag dat het landgenoten waren – of Nederlandse krijgsgevangenen die door de aanvaller voor zich uit werden gedreven.

De methode

Wie over eigen vuur schrijft, moet streng zijn voor zijn bronnen. Het is een beladen onderwerp, en de verleiding om te veel te claimen is groot. Daarom hanteert het boek drie categorieën.

  1. Gedocumenteerd: de bron noemt aantal en oorzaak expliciet.
  2. Aannemelijk: de bron beschrijft eigen vuur én slachtoffers, en uit de context volgt redelijkerwijs dat een deel daarvan door eigen vuur viel.
  3. Niet te kwantificeren: er wás eigen vuur, er waren mogelijk slachtoffers, maar de bronnen laten geen telling toe.

Elk hoofdstuk sluit af met de stand van die drie categorieën, en elke schatting in de tweede categorie krijgt een eigen onderbouwing in de eindnoten.

De cijfers tot nu toe

Op het moment van schrijven staat de teller op vierentwintig gesneuvelden en drie gewonden die gedocumenteerd door eigen vuur vielen. Daarnaast zijn dertien doden en acht gewonden aannemelijk aan eigen vuur toe te schrijven. En dan is er de derde categorie: een reeks hoofdstukken waarin eigen vuur vaststaat, maar de aantallen dat niet doen – van een terugtocht over de Rijn onder eigen artillerie- en mitrailleurvuur tot een nachtaanval waarin “veel gewonden en dooden” vielen terwijl eigen troepen op elkaar schoten.

Wat deze cijfers betekenen, hoe ze zich verhouden tot het totaal van 422 gevallenen, en welke patronen erachter schuilgaan – dat bewaar ik voor het boek zelf. De slotbeschouwing is geschreven, maar haar conclusies horen daar thuis, niet hier.

Wat nog komt

Het manuscript zit in de eindredactie. Daarnaast dient zich een verwant thema aan dat in de bronnen steeds nadrukkelijker naar voren kwam en mogelijk nog een plaats in het boek krijgt – daarover later meer. Tot die tijd geldt wat voor het hele onderzoek geldt: de bronnen bepalen het tempo, en niet ik.

Derk Wisman