TEGENAANVAL VAN APELDOORN OP GREBBEBERG

11 mei 1940. Het is niet zo dat het Nederlandse leger alleen aan het verdedigen was. Sterker nog, vanaf zaterdagmiddag 11 mei werd op de Grebbeberg de ene na de andere tegenaanval uitgevoerd. Daar is weinig van bekend. Ook Dr. L. de Jong wijdt er in deel 3 van zijn bekende trilogie van 480 bladzijden slechts een paar zinnen aan.

Het probleem met alle “tegenstoten” was dat daar geen diepere gedachte achter zat. Een ander probleem was dat deze tegenaanvallen bijzonder slecht werden gepland en vervolgens werden uitgevoerd door eenheden die daar niet goed op waren voorbereid. De coördinatie liet ook te wensen over.

J.B. van Apeldoorn was op 26 Maart 1938 bevorderd tot reserve-majoor der infanterie. Hij had het bevel over het 2e bataljon van het 19e regiment infanterie. Het bataljon fungeerde als divisie reserve. Het bataljon bevond zich in Rhenen. Van Apeldoorn had zijn commandopost ingericht in de woning van notaris Van Iterson. Deze bevond zich tussen het station en de straatweg. Tot de commandogroep van het bataljon behoorden reserve 1e Luitenant van Capelle, de sergeanten van Hevide en Bruggink en later ook nog de Sergeanten-capitulant Wunderink en Knol.

Van Apeldoorn in krijgsgevangenschap, 1944 – Bron: NIMH

Van Apeldoorn zijn eenheid bestond uit 3 infanterie compagnieën, een mitrailleurcompagnie en een batterij veldartillerie.

Gedurende de mobilisatie had het bataljon ten westen van de spoorbaan een loopgravenstelsel gebouwd. Deze loopgraven liepen vanaf de Rijn tot aan Achterberg.

Vrijdagmorgen 10 mei 1940 werd van Apeldoorn gewekt. Er vlogen zeer veel vijandelijke vliegtuigen in westelijke richting over Rhenen. Het afweergeschut kwam in actie. Even later hoorde van Apeldoorn dat de oorlog was uitgebroken.

De opdracht van het bataljon was om vijandelijke parachutisten onschadelijk te maken. Om het bataljon snel te kunnen verplaatsen werden fietsen gevorderd. De fietsen werden verzameld bij het stationsgebouw van Rhenen. De inbeslagname verliep rustig. Tegelijkertijd met het innemen van fietsen werden ook alle burgers met een Duitse nationaliteit verzameld. Deze Duitsers werden later in de ochtend in westelijke richting afgevoerd.

Gedurende deze vrijdag bracht Van Apeldoorn zijn mannen op de hoogte van de oorlogssituatie. Die zag er aanvankelijk goed uit. Het moreel was hoog. Van Apeldoorn had nog tijd om een afscheidsbrief aan zijn toenmalige echtgenote te schrijven. Hij gaf de brief af aan notaris Van Iterson, de brief is later ook bezorgd.

Achter het gebouwde loopgravenstelsel, ten noorden van Rhenen, bevond zich een afdeling luchtdoelgeschut. Vrijdagmiddag werd deze positie aangevallen door Duitse vliegtuigen. Van Apeldoorn hoorde dat er dodelijke slachtoffers waren gevallen en vertrok samen met zijn luitenant-adjudant naar het getroffen gebied om polshoogte te nemen. Daar bleek het allemaal wel mee te vallen, er waren geen slachtoffers te betreuren. Toen de mannen daar rondliepen voerde een stuka vliegtuig een aanval uit. Van Apeldoorn en de luitenant zochten dekking. De stuka piloot wierp zijn bom af. De bom sloeg op zo’n 50 meter afstand in en explodeerde. Van Apeldoorn kreeg een kleine scherfwond aan zijn linkerhand.

Zaterdag, zo tegen de middag, trokken de eerste Nederlandse soldaten terug in Westelijke richting. Dit bleken troepen van het 3e bataljon te zijn. Zij hadden zich terug getrokken uit het voorpostengebied of waren daaruit weggevlucht. Ondertussen werd Rhenen onder vuur genomen door Duitse artillerie. Verschillende huizen stonden al snel in brand.

Van Apeldoorn ging op een geven moment de kelder van het huis inspecteren om te kijken of deze als schuilkelder kon dienen. Toen hij weer boven kwam was de woning ontruimd, de commandopost was verlaten. Zijn mannen hadden een stukje verderop dekking gezocht. Het artillerievuur werd nog heviger en Van Apeldoorn verplaatste zijn commandopost naar het Badhuis, een soort bejaardentehuis .

Van Apeldoorn kon weinig anders dan met zijn bataljon de hele zaterdag als het ware werkloos toezien. Waarbij ze onder artillerievuur lagen en er achter kwamen dat het voorpostengebied onder zware druk stond en aan de verliezende hand was. Het moreel bleef goed en werd ook verhoogd doordat in het gebied van het bataljon Nederlandse zware artillerie stond opgesteld die herhaaldelijk van zich lieten horen.

Het relatief snelle verlies van het voorpostengebied viel in slechte aarde bij de hogere legerleiding. Het beeld bestond dat het 3e bataljon van het 8e Regiment Infanterie van majoor Voigt zonder te vechten naar achteren was gevlucht. Daarnaast was men op de divisiestaf niet op de hoogte van de vijandelijke sterkte. Er zou sprake zijn van slechts enkele kleine Duitse eenheden. Dat er aan het einde van de zaterdag een heel SS-regiment aan de oostzijde van de Grebbeberg stond opgesteld was niet bekend. Onder grote druk van generaal Harbers moest en zou divisiecommandant kolonel Van Loon het voorpostengebied zo snel mogelijk terug veroveren en weer gaan bezetten.

Gekozen werd om één van de reserve bataljons in te zetten. Zaterdagavond werd Van Apeldoorn bij Van Loon in het gemeentehuis van Rhenen ontboden. Daar ging hij per auto naar toe. Bij de orderuitgifte om het voorpostengebied te heroveren was ook Majoor van der Ploeg aanwezig. Daar kreeg hij een gedetailleerde instructie voor het uitvoeren van een tegenaanval.

Volgens de divisiestaf zouden er niet meer dan 100 vijandelijke soldaten in het voorpostengebied zijn. Dat was natuurlijk onzin en gaf blijk van het volledig ontbreken van “situational awareness” op het hoogste niveau. Aan de overkant van de Grift bevond zich namelijk een compleet SS-regiment van om en nabij 3.000 man. Waarvan de voorste compagnieën al druk in gevecht waren met de secties van Niemandsverdriet en De Ridder op het Hoornwerk ten oosten van de Grebbesluis. En met de compagnie van Wiersinga bij boerderij Kruiponder.

Zoals gezegd was het doel om de voorpostenopstellingen te heroveren. Het bataljon moest “heimelijk” naar de Grebbeberg gaan en vanuit daar de tegenaanval uitvoeren. De mitrailleurcompagnie moest achter blijven.

Opmerkelijk was dat er geen gebruik gemaakt mocht worden van vuurwapens. Alles moest met de “blanke wapenen” worden uitgevoerd. Oftewel met klewangs, sabels, bajonetten en dolken.

Ten zuiden van de Grebbesluis moest de Grift met 2 secties overgestoken worden. Deze secties moesten een schijnaanval gaan uitvoeren. Tegelijkertijd moest het bataljon naar voren stormen.

De kanonneerboot Hr. Ms. Freyr, overigens te water gelaten in 1877, moest via de Rijn onderdelen van het 3e bataljon van het 8e Regiment Infanterie aan land brengen om in de rug van de Duitsers een afleidingsaanval in Noordoostelijke richting uit te voeren.

Article content
Hr. Ms. Freyr – Bron: Wikipedia

Zelfs vandaag de dag zou deze nachtelijke operatie als complex worden ervaren. Laat staan in die tijd, met relatief ongetrainde eenheden, een korte voorbereidingstijd en slechte communicatie en coördinatie.

Van Apeldoorn wees 2 secties onder reserve tweede-luitenant Van Suylen aan voor de schijnaanval ten zuiden van de Grebbesluis.

Het bataljon vertrok en stelde zich op ten oosten van het spoorviaduct bij Rhenen, dat al onder voortdurend artillerievuur lag. Divisiecommandant Van Loon kwam ook nog langs om de mannen moed in te spreken. Zaterdagavond, zo rond middernacht ging het bataljon definitief voorwaarts.

Article content
Aanval Van Apeldoorn

Er was ook nog wat vertraging omdat Van Apeldoorn zijn gasmasker in Rhenen had laten liggen. Die had hij eerst nog op de fiets opgehaald.

Zijn commandogroep was aangevuld met kapitein der genie van Walsum. Een zware trailer met brugdek, bedoeld om de Grift over te steken, volgde op korte afstand.

Vlotjes aangekomen ter hoogte van de dierentuin ging Van Apeldoorn er vanuit dat Van Suylen nog niet in positie kon zijn. Hij liet het bataljon halt houden en besloot met de commandogroep een verkenning uit te gaan voeren.

Aangekomen bij de stoplijn kwam de commandogroep onder eigen vuur. De onervaren mannen van het 8e regiment infanterie, in positie in de stoplijn ten westen van het Roggeveld, schoten namelijk op alles dat bewoog. Zij waren ook niet geïnformeerd over de geplande tegenaanval. Ze vermoedden zelfs dat de Duitsers al rondom hen zaten. Wat natuurlijk niet het geval was, deze zouden pas zondagmiddag in de buurt komen. Pas na een uur lukte het om contact te krijgen met reserve-kapitein Brittijn, de commandant van het gedeelte van de stoplijn ten zuiden van de straatweg. Brittijn was ook niet geïnformeerd en had ook geen flauw benul van de op handen zijnde tegenaanval. Hij wist het vuren wel te staken. Door het eigen vuur had de eenheid van Van Suylen wel een eerste dode te betreuren.

De commandogroep bereikte zondagochtend rond 01.30h de Grebbesluis. Daar was luitenant Van Suylen al bezig om de Grift over de restanten van de sluisdeuren over te steken. Van de oversteek met bootjes, ten zuiden van de sluis, was niets terecht gekomen. Het was van Suylen inmiddels wel gelukt om 2 groepen naar de overkant te krijgen. Van Suylen vroeg aan Van Apeldoorn of het zinvol was om überhaupt verder te gaan met de uitvoering van zijn opdracht. Inmiddels hadden de Duitsers namelijk met hun zware mitrailleurs het vuur geopend. Die zaten op zo’n 300 meter afstand van de sluis. Waarschijnlijk was dit vuur gericht op de verdedigers op het Hoornwerk. Van Apeldoorn schatte de situatie in en besloot, omdat volgens hem het verassingselement weg was en het ook al begon te schemeren, de operatie af te gelasten. Wat ook meespeelde was dat er niets was te merken van de afleidingsaanval vanaf de Freyr.

Van Apeldoorn rapporteerde e.e.a. aan divisiecommandant Van Loon met het verzoek om de operatie 24 uur later nog een keer te mogen uitvoeren, maar dan wel voldoende en beter voorbereid. Hij benadrukte terecht het belang om alle op de Grebbeberg aanwezige eenheden vooraf goed te informeren.

Van Loon trok zich niet zo gek veel aan van dit advies, hij stond onder grote druk, en gaf op 12 Mei om 12.15h de order voor een identieke tegenaanval die al om 15:00h uitgevoerd moest gaan worden. Dus wederom zonder voldoende voorbereiding en ook nog eens op klaarlichte dag. Er zouden wel extra ondersteuning komen in de vorm van bommenwerpers en een extra mitrailleurcompagnie van Brigade A.

Het hele idee gaf al aan dat de stafofficieren van de divisie geen flauw benul hadden van de situatie. Men ging er namelijk nog steeds vanuit dat de Duitsers nog steeds vóór de frontlijn waren.

slechts zeer zwakke afdeelingen van den vijand ……. die echter brutaal optreden

Uit de geschreven order bleek ook nog eens dat de divisie vanuit het Legerkorps een “zwarte piet” had toegespeeld had gekregen. De operatie moest namelijk gaan slagen om de divisie van

de blaam ….. dat de voorpostenstrook verloren is gegaan

te zuiveren. Op het moment dat de aanval van start had moeten gaan was de

slechts zeer zwakke afdeelingen van den vijand

al met 2 bataljons aan het uitbreiden op de Grebbeberg zelf! Om 15:00h waren de Duitsers al succesvol bezig om de frontlijn op te rollen.

Niet veel later ontving Van Apeldoorn bericht dat de hele aanval toch niet door ging. Het was klaarblijkelijk duidelijk geworden dat de Duitsers veel verder waren opgerukt dan gedacht.

Het bataljon diende daarna dan ook snel de oorspronkelijke reserveopstelling west van de spoorlijn Rhenen-Achterberg te gaan bezetten.

Van Apeldoorn moest nog wel 1 compagnie en 1 mitrailleursectie aanwijzen voor het uitvoeren van een tegenstoot op de Grebbeberg zelf. Deze dienden zich te melden bij majoor Landzaat, de commandant van het 1e bataljon van het 8e Regiment Infanterie. Van Apeldoorn wees de 1e compagnie aan, onder commando van reserve kapitein D.C. van Alewijk. Van Alewijk was aan de beurt voor de tweede tegenaanval.