Het is al weer een paar jaar geleden dat mijn moeder het verhaal van “Oom Wim” nog eens vertelde. Willem Schoonderbeek, de broer van mijn Opa, was op 13 mei 1940 gesneuveld op de Grebbeberg. Hij was daar ook begraven. Op 16 mei 1940. In het 1e Hollandse graf. Grafnummer 62. Mijn moeder vertelde dat haar Oma, de moeder van Wim dus, tot haar dood bleef hopen op een wonder. Dat Wim in krijgsgevangenschap was beland. Misschien wel in Rusland terecht was gekomen. Zijn moeder bleef geloven in zijn behouden terugkomst. Het feit dat Wim was gesneuveld werd in een soort van mysterie gehuld. Wat was er gebeurd? Was Wim wel gesneuveld? Lag hij daar wel begraven? Immers, niemand van de familie had Wim nog kunnen zien of identificeren. Mijn moeder vertelde dat zij Oom Wim ook nooit heeft gekend, maar het verdriet om hem wel.
Na het verhaal van moeder was mijn interesse gewekt. Ik heb mij de op het verhaal volgende afgelopen jaren verdiept in de gebeurtenissen op en rond de Grebbeberg. Als officier de mariniers kreeg ik lang geleden les in de geschiedenis van amfibische operaties, en niet zo zeer in landoperaties. De Grebberg maakte in ieder geval geen deel uit van het pakket. Mijn militaire achtergrond maakte het wel mogelijk om mij snel te kunnen verplaatsen in de situatie van destijds en hoe de mannen het daar moeten hebben ervaren.
Inmiddels ken ik de Grebbeberg en haar omgeving op mijn duimpje. Ik kwam er achter dat hier een op ouderwetse leest geschoeid regiment van dienstplichtigen tegen een overmacht aan moderne en goed getrainde Duitse SS-ers maar liefst 3 dagen stand had gehouden. Tijdens het bestuderen van de vele officiële verslagen werd mij veel duidelijk. Ook wat de rol van oom Wim was. En hoe hij aan zijn einde kwam.
Oom Wim was destijds nog maar 28 jaar jong. Hij was reserve eerste luitenant en commandant van de 1e sectie van de 8e compagnie mortieren van 8 van het 8e regiment infanterie. De compagnie had nog een 2e sectie onder leiding van sergeant J. Speijer. En de 3e sectie werd aangevoerd door 1e luitenant J. Vrijs.
De aanduiding “mortieren van 8” betreft niet het kaliber van de mortieren. Het kaliber van de mortieren was namelijk (ruim) 8 centimeter. “Mortieren van 8” gaf aan dat het ging om de mortiereenheid van het 8e Regiment Infanterie. Het mortier had een bereik van ruim 2 kilometer. Elke sectie beschikte over 2 mortieren. Elk mortier had 820 stuks munitie. Dat lijkt veel, maar met een theoretische vuursnelheid van 20 schoten per minuut is de munitievoorraad in 3 kwartier verschoten.
Wim was van huis uit Nederlands-Hervormd en had daarom op donderdagavond 9 mei 1940 nog de “religieuzen officierskring” bezocht. Deze bijeenkomst werd georganiseerd door de reserve veldpredikers dominee Van Exel en dominee Gerritsen. Op deze bijeenkomst waren ook de bataljonscommandanten Johan Jacometti en Willem Landzaat aanwezig. Beide bataljonscommandanten zouden de Grebbeberg niet levend verlaten.
Na de bijeenkomst ging Willem terug naar zijn inkwartieradres “Huize Wilhelmina”, een woonhuis aan de straatweg te Rhenen. Zijn mannen sliepen in de loods achter het woonhuis.
Gedurende de nacht werd de strijdvaardigheidsgraad opgeschroefd. En, bij het opkomen van de stralende ochtendzon, direct na de melding van de eerste schermutselingen in het Oosten van Nederland, werd graad 4 afgekondigd: “iedereen in stelling”.
Na een snel ontbijt verzamelde Wim zijn mannen. Onder leiding van compagniescommandant kapitein Johan van Dijk wandelden de mannen van de “mortieren van 8” over de Heimersteinse laan naar hun stellingen. Het was een korte wandeling van normaal nog geen 15 minuten. Het duurde nu wat langer, het was een drukte van jewelste, alle mannen van het 8e Regiment Infanterie gingen van hun inkwartieradressen naar hun gevechtsstellingen. Munitie en proviand werd opgevoerd. Schuilplaatsen werden nog verder verbeterd. Schootsvelden werd vrijgemaakt. Zo nu en dan moest even gewacht worden op een soldaat van de verbindingstroepen die telefoonlijnen aan het uitrollen was. De stemming was goed.
Na aankomst in de stelling inspecteerde Wim zijn mannen. Iedereen was aanwezig. De mortieren stonden opgesteld. De dag voorraad mortiermunitie was aanwezig. De schuilplaatsen waren op orde. Proviand en drinkwater waren aanwezig. Het kon nog wel even duren, immers het zou nog wel een aantal weken duren voordat de strijd de Grebbelinie zou bereiken. Dat optimisme bleek al snel ongegrond te zijn.
De secties van Wim en de sectie van sergeant Speijer bevonden zich vlak achter de infanterie compagnie van kapitein Maas. Deze compagnie verdedigde het centrale deel van de zogenaamde stoplijn, tussen de straatweg en de Heimersteinschelaan. De compagnie van Maas was op oorlogssterkte, de munitie was aangevuld en het moreel was hoog.
Vóór Wim was de 2e sectie van vaandrig Stam. Speijer zat rechts van Wim, achter de 1e sectie van luitenant Van den Boom. Het was de bedoeling dat de mortiersecties vuursteun zouden geven aan de compagnie van Maas.
De stoplijn was ter verdediging ingericht. Er waren loopgraven, schuilplaatsen tegen artillerievuur en prikkeldraadversperringen om een vijandelijke aanval te vertragen of te stoppen. De prikkeldraadversperring bij de straatweg was voorzien van een afsluiting. Om het daar opgestelde pantserafweergeschut een goed schootsveld te kunnen geven. Maar ook om de weg zo lang als dat kon bruikbaar te houden. Pas bij een naderende vijand moest deze versperring definitief worden gesloten.
De vrijdag en zaterdag verliepen rustig. De dagen werden besteed aan het verder vrijmaken van schootsvelden en verbeteren van de gevechtsstellingen. Hier en daar sloeg een verdwaalde artilleriegranaat in. Men maakte zich daar niet al te druk om. De mannen zaten veilig in de schuilplaatsen, die voorzien waren van adequate bovendekking.
In de namiddag van zaterdag 11 mei werd het duidelijk dat de verdediging van de Grebbelinie niet geheel volgens plan verliep. Het voorpostengebied werd op de zaterdag door de Duitsers veroverd. De soldaten uit het voorpostengebied die hadden kunnen vluchten trokken in wanorde door de stellingen. Enkelen kwamen in de stelling bij de “mortieren van 8”. Wim had geen idee wat hij ermee aan moest en stuurde deze soldaten door naar de achtergelegen bataljonscommandopost van majoor Landzaat, die had er vast wel een plan mee.
Zaterdagnacht en zondagochtend bleef het rustig. Los van de incidentele beschietingen door de vijandelijke artillerie. Daar was men nu wel aan gewend geraakt. De mannen in de stoplijn verbleven in de schuilplaatsen en hadden alleen een enkele man op de uitkijk, de zogenaamde piketwacht.
Zondagmiddag was het echter gedaan met de rust. Na het bezwijken van de frontlinie trokken honderden soldaten van de voorste eenheden terug naar achteren. Van enige organisatie was geen sprake. Wim had geen idee wat de situatie was. Het enige dat hij kon doen was om de terugtrekkende soldaten in de richting van de bataljonscommandopost dirigeren. De eerste Duitsers bevonden zich in nu het bos aan de overzijde van het Roggeveld, op een paar honderd meter afstand van de stoplijn. Daar waren zij bezig met consolidatie en reorganisatie. Zij bereidden zich voor op de uitvoeren van de volgende aanval. De Duitsers stuurden verkenners uit. Zo nu en dan konden de piketwachten een Duitse soldaat in de bosrand onderscheiden.
In de namiddag hoorde Wim de geluiden van een hevig vuurgevecht, zo te horen op een afstand van een paar honderd meter vóór de stelling van vaandrig Stam. Dit gevecht was kort en hevig. Wat was er aan de hand? Braken de Duitsers door? Of was het een tegenaanval? Wim had geen idee dat het hier een tegenaanval betrof uitgevoerd door bataljonscommandant Jacometti. Een mislukte, slecht voorbereide en haastige aanval, waarbij Jacometti, waarmee hij op donderdagavond nog de religieuze bijeenkomst had bijgewoond, sneuvelde.
Wat later op de middag was er nog een tweede vuurgevecht. Er werd een tegenaanval uitgevoerd door het 19e Regiment Infanterie over de Heimersteinse laan. Ook deze aanval liep op niets uit. Wim kon vanuit zijn schuilplaats het verloop van dit gevecht volgen.
De zondagavond werd verder doorgebracht in de schuilplaatsen. Het vijandelijke artillerievuur werd steeds heviger, de opgewekte stemming verdween. Wim maakte een ronde langs zijn mannen en probeerde hier en daar moed in te spreken.
‘s Avonds zo rond 23:00h braken de Duitsers door bij de straatweg. Het lukt een Duitse versterkte compagnie, onder leiding van luitenant-kolonel Wäckerle, om een verassingsaanval uit te voeren en helemaal door te stoten naar het viaduct in Rhenen. Het hielp niet dat de prikkeldraadversperring bij de straatweg niet goed was afgesloten. De paniek bij de Nederlandse troepen was compleet. De sectie van luitenant van den Boom vluchtte naar achteren, en verzamelde bij de veldkeuken. ’s Nachts keerde hij wel terug naar de stelling, maar verbleef in de groepsschuilplaats. Vaandrig Stam, die rond 04:00h poolshoogte kwam nemen, vond hem daar, samen met enkele soldaten, waaronder één gewonde van de 3e sectie. De positie van de 1e sectie werd daarna bezet door de overgeblevenen van de sectie van Van den Boom, aangevuld met mannen van de 2e en 3e sectie. Omdat kapitein Maas inmiddels gewond was geraakt, nam van den Boom het bevel over de compagnie. Van een coherente verdediging was geen sprake meer. Het was een allegaartje geworden.
Na de chaos van de avond en nacht volgde maandagochtend 13 mei een grote Duitse aanval.
Tijdens de Duitse aanval op de stoplijn ondersteunde de mortiercompagnie van kapitein Van Dijk de infanterie en verschoot binnen een uur de gehele munitievoorraad.
De infanterie kon niet lang stand houden. De infanteriecompagnie kwam onder zwaar mortiervuur te liggen en werd ook beschoten met zwaar kaliber vlakbaanvuur, waarschijnlijk van pantserafweergeschut. De linker mitrailleur van Stam werd al snel uitgeschakeld. Er vielen doden en gewonden. De munitie raakte al snel op. Stam wist nog wel wat klein kaliber munitie los te peuteren bij de mortieristen. Maar er was geen houden meer aan. Een tweede mitrailleur werd buiten gevecht gesteld. Het werd duidelijk dat de vijand door kon breken via het terrein ten zuiden van de straatweg. De daar opgestelde compagnie van kapitein Brittijn gaf al snel geen tegenstand meer. Toen de toestand rond het middaguur onhoudbaar werd trok de compagnie van kapitein Maas, inmiddels onder leiding van luitenant Van den Boom, terug.
Wim zijn stelling kwam ook zwaar onder vuur te liggen waarbij op een gegeven moment de commandopost een directe treffer te incasseren kreeg. Van Dijk raakte zwaar gewond en was buiten gevecht gesteld. Ook Wim werd door een granaatscherf getroffen en raakte naar verluid gewond in de borststreek.
Omdat alle mortiergranaten waren verschoten was er geen reden meer om stand te houden. De mortieristen waren niet uitgerust met infanteriewapens en konden in feite weinig meer uitrichten. Alhoewel gewond in de borst kon Willem nog met zijn mannen meelopen, kapitein van Dijk lieten zij voor gesneuveld achter. Kapitein van Dijk is later op de dag zwaargewond afgevoerd naar een Duits veldlazaret. Op 17 Mei overleed hij in een hospitaal in Arnhem als gevolg van zijn zware verwondingen.
De sectie van Wim trok via de Heimersteinse laan terug naar de inkwartieradressen in Rhenen. De mortieristen verbonden Wim en legden hem in de woonkamer van “Huize Wilhelmina” op een daar aanwezige bank. Er verzamelden daar ook andere soldaten van andere eenheden. De mannen wachtten op de dingen die zouden gaan komen en hoopten zich over te kunnen geven. Ze zagen de eerste Duitsers over de straatweg richting Rhenen trekken.
Maar toen klonk een schot. Iemand had op de Duitsers gevuurd. Er ontstond paniek. Klaarblijkelijk had er iemand geschoten op een veldhospitaalwagen. De Duitsers gingen op zoek naar deze sluipschutter. En zochten vergelding. En ontdekten de Nederlandse soldaten in “Huize Wilhelmina”.
Het is waarschijnlijk dat de Duitsers onder invloed waren. Ze waren al vanaf donderdagavond continu in de weer en hadden 4 nachten weinig slaap gehad. Waarschijnlijk op de been gebleven door het slikken van pervetine tabletten. Destijds een gebruikelijk medicijn, tegenwoordig bekend als “chrystal meth”. Het gebruik hiervan kon een nadelige werking hebben op het beoordelingsvermogen en resulteerde vaak in onberekenbaar gedrag.
Het laatste dat Wim meemaakte was dat hij gewond en wel door een paar SS-ers van de bank werd getrokken en naar buiten werd gesleept. In de tuin zag hij dat zijn mannen met de handen in de nek werden opgesteld. Waarschijnlijk herkende hij de soldaten Roza en Bos. En wisselde een laatste blik met de sergeanten Boddé en Klomp. Misschien nog een laatste woord met korporaal Jansen. Of sprak hij nog kort met de sergeanten van ’t Hof en Gort? Wim werd samen met de andere 7 mortieristen in koelen bloede vermoord. De lichamen van de mannen bleven in de tuin achter, met de armen naast het hoofd, voorover gevallen en met alleen schotverwondingen aan het hoofd.
De lichamen van de vermoorde mortieristen zijn op donderdag 16 Mei 1940 gevonden. En op dezelfde dag begraven.
Op donderdagmiddag 16 mei 1940 zijn er zo’n 150 gesneuvelden begraven. Naast elkaar, met 60 man in een langgerekt graf. De begrafenisplechtigheid was sober. De plechtigheid werd bijgewoond door een erewacht en vuurpeloton van Duitse soldaten. En een detachement van het Rode Kruis. En een handvol burgers die mee hadden geholpen met het zoeken en vervoeren van de gesneuvelden en het maken van de graven.

De uitvaartdienst werd geleid door dominee Van Exel. De legerpredikant was in uniform. Legerkapelaan Smulders was in toog. Er werd gebeden. Er werd voorgelezen uit de bijbel. Over Jezus Christus, die dood geweest is en weer levend is geworden, en het laatste woord heeft. De legerpredikant bad het Onze Vader.
De Duitse erewacht zong een droevig lied:
Ich hatt’ einen Kameraden, Einen bessern findst du nit. Die Trommel schlug zum Streite, Er ging an meiner Seite In gleichem Schritt und Tritt.
Eine Kugel kam geflogen: Gilt sie mir oder gilt sie dir? Sie hat ihn weggerissen, Er liegt zu meinen Füßen Als wär’s ein Stück von mir
Will mir die Hand noch reichen, Derweil ich eben lad’. “Kann dir die Hand nicht geben, Bleib du im ew’gen Leben Mein guter Kamerad!
Na het gezang gaf de commandant van het Duitse vuurpeloton het commando “Hoch, legt an, Feuer!” De geweerschoten brachten een laatste groet aan de gesneuvelden. Het commando en het geweersalvo werden twee keer herhaald. Daarna was het stil.