In april 1940 Ouwehands Dierenpark was gewoon geopend en werd druk bezocht door toeristen. Er was zelfs een uitkijktoren met een schitterend uitzicht over de Grebbeberg. Het verzoek van de legerleiding om deze uitkijktoren te verwijderen, werd door Minister-president De Geer van tafel geveegd. De toeristische trekpleister – en bus bron van inkomsten – bleef gewoon open. Onder de toeristen bevonden zich Duitse spionnen, die alle verdedigingswerken nauwkeurig in kaart kondenbrengen. Waardoor de Duitsers de aanval op de Grebbelinie uitstekend konden plannen.
Het terrein ten Oosten van de Grebbeberg stond droog. Idealiter had dit gebied met behulp van een motorgemaal (een grote pomp) onder water gezet moeten worden. De bouw van het motorgemaal had vertraging opgelopen. Het ontwerp voor het motorgemaal was in de zomer van 1939 gereed. Maar werd afgekeurd. Het was namelijk goedkoper om twee ongebruikte pompen te verhuizen van het Julianakanaal naar de Grebbeberg. Uiteindelijk was het gemaal in de meidagen nog niet operationeel. Waardoor het voorpostengebied dus niet blank stond en de vijand zich vrijelijk ontplooien.
Het voorpostengebied was een tuinbouwgebied (en is dat overigens nog steeds). Met allerlei boomgaarden. Normaliter haal je boomgaarden en begroeiing weg om zodoende schootsvelden te creëren. Echter dit was niet toegestaan. De inkomsten van de tuinders prevaleerden boven het militaire belang. Waardoor de vijand zich beschut kon verplaatsen en de Nederlandse verdedigers beperkt konden vuren. Overigens gold hetzelfde voor de koeien in de wei. Ook deze werden uiteindelijke door de Duitsers als zichtdekking gebruikt.
Aan Nederlandse zijde gebeurde de communicatie met behulp van radio’s, telefoonlijnen, ordonnansen en hier en daar ook met seinlampen. Radio’s waren nagenoeg niet aanwezig. In het hele voorpostengebied, toch bezet door een klein bataljon, was er één, die uiteindelijk vanwege een lege batterij niet kon worden gebruikt. Waardoor ondersteunend vuur niet kon worden afgeroepen of gecoördineerd. Ordonnansen – tegenwoordig zou je dat een “runner” noemen – kun je op een gegeven moment, als je onder vuur ligt, ook niet meer op pad sturen. Daarom wordt in een verdedigende situatie vertrouwd op de veldtelefoon. Telefoonlijnen worden normaal gesproken ingegraven, die liggen beschut tegen artillerievuur, onder de grond. Dat ingraven was, om financiële schade bij de landeigenaren te voorkomen, verboden. Dus gingen de telefoonlijnen, bevestigd aan piketpaaltjes, bovengronds. Bij de eerste artilleriebarrage werden deze lijnen vernietigd waardoor er van onderlinge communicatie, en dus van een gecoördineerd optreden, geen sprake meer kon zijn.
Al met al sneuvelden op en om de Grebbeberg 424 Nederlandse soldaten. En werd er tweeëneenhalve dag effectief stand gehouden. Ik ben benieuwd naar wat deze cijfers waren geweest als de Nederlandse politiek wat meer Krijgsmacht gezind zou zijn geweest.
Gaan we richting Grebberg 2.0? Ik maak mij zorgen over de huidige situatie waar we voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten. En we een krijgsmacht hebben met onvoldoende mensen en middelen om langere tijd het gevecht te kunnen voeren. Laatst wist een generaal mij zelfs te vertellen dat er munitie is om twee dagen te kunnen vechten……