De naam Wäckerle is een bijzondere. In veel documenten wordt hij genoemd, al of niet heldhaftig afgeschilderd of afgebeeld op foto’s. Wäckerle speelde tijdens de gevechten op de Grebbeberg een opvallende rol en brak als eerste eenheid op zondagavond 12 mei 1940 door de stoplinie. Dit hoofdstuk gaat in op de Duitse opmars naar Arnhem en de introductie van Wäckerle op het gevechtsveld.
52 kilometer ten Oosten van de Grebbeberg, in de vroege morgen van 9 Mei 1940, na de ontvangst van zijn eigen alarmbefehl, haaste Generalleutnant Carl von Tiedemann , commandant van de 207 Infanterie-Division, zich terug naar zijn staf.
Von Tiedemann was beroepsmilitair en had in de eerste wereldoorlog gediend aan het Oost- en Westfront. Niet alleen in staffuncties maar ook als operationele compagnies- en bataljonscommandant. Hij zwaaide in 1932 af als luitenant-kolonel maar werd in 1937 weer in actieve dienst teruggeroepen. In Augustus 1939 keeg hij als Generalmajor het commando over de 207e divisie. Twee maanden later werd hij, wegens een succesvolle Poolse veldtocht, bevorderd tot Generalleutnant.
Zijn opdracht was om vanuit het Duitse Elten op te rukken naar Arnhem, daar de IJsselbrug in te nemen, verder op te rukken om vervolgens ten westen van Wageningen de Grebbelinie te doorbreken teneinde uiteindelijk naar Utrecht door te stoten.
Om deze opdracht te kunnen uitvoeren beschikte hij over een behoorlijke strijdmacht van zo’n 12.000 man. Onder zijn bevel stond het 322e, 368e en 374e Infanterie-Regiment, een artillerieregiment, een pionier bataljon, een anti-pantser eenheid, een Aufklärungs-Abteilung (verkenningsbataljon), een inlichtingen eenheid en Nachschubtruppen (bevoorradingseenheid). “Last-but-not-least” was er een bijzonder regiment onder zijn bevel gesteld: SS-Regiment “Der Führer”.
SS-Regiment “Der Führer” was na de Anschluss van Oostenrijk in Maart 1938 in Wenen opgericht. Het regiment stond vanaf de oprichting onder aanvoering van SS-Standartenführer Georg Keppler (General der Waffen-SS Georg Keppler (1894-1996)).
Keppler was een ervaren beroepsmilitair, zoon van een Pruisische luitenant-kolonel en ook veteraan: In de eerste wereldoorlog was hij al op 20-jarige leeftijd compagniescommandant. De staf van het regiment en de 1e Sturmbahn waren oorspronkelijk gestationeerd in Wenen, de 2e in Graz en het 3e in Klagenfurt. Een Sturmbahn is gelijk aan een bataljon, hierna zal ik de naam bataljon gebruiken. Het merendeel van de eerste lichting soldaten kwam uit Oostenrijk. Keppler kwam in actie tijdens de bezetting van Sudetenland en de annexatie van Tjecho-Slowakije. Het regiment bestond in de meidagen van 1940 uit 3 tot de tanden bewapende en goed getrainde infanteriebataljons aangevuld met een pionier bataljon en een artillerie batterij. De totale sterkte bedroeg zo’n 3.500 man. Gedurende de verdere oorlog zou het regiment vechten als onderdeel van de divisie “Das Reich”. Het regiment werd één van de hoogst gedecoreerde Duitse gevechtsformaties. Het regiment vocht aan het West- en Oostfront. Het werd één van de laatste eenheden die zich in Mei 1945 zou overgeven aan de geallieerden.
Het plan dat Von Tiedemann aan zijn regimentscommandanten presenteerde beruste op 3 pijlers. Als eerste een misleidende actie met in Nederlandse uniformen gestoken soldaten, met als doel om de Nederlandse grensbewaking te verassen. De tweede pijler was de inzet van een pantzerzug, een trein met daarop artillerie, dat snel vuurkracht ter beschikking zou kunnen stellen. Als derde pijler had hij “Der Führer” dat moest dienen als de stormram van zijn divisie.
Keppler kreeg van Von Tiedemann de opdracht om met zijn regiment, ondersteund door de pantzerzug van de divisie, op te rukken naar Arnhem, de IJsselbrug ongeschonden in handen te krijgen en daarna het gebied West-Arnhem te bereiken, het eerste angriffsziel van de Divisie. In zijn orderuitgifte bepaalde hij dat zijn 1e bataljon als voorste eenheid moest fungeren, gevolgd door het 3e bataljon, onder aanvoering van SS-Obersturmbahnführer Hilmar Wäckerle (SS-Standartenführer Hilmar Wäckerle (1899-1941)). Het 2e bataljon werd onder bevel gesteld bij het 368e Regiment Infanterie en deed dus niet mee.
Wäckerle was al sind December 1937 bataljonscommandant, eerst bij de SS-Standarte “Germania” en vanaf de oprichting bij “Der Führer”.
In de eerste wereldoorlog diende hij als onderofficier maar kon geen officier worden. Na de eerste wereldoorlog ontpopte hij zich als een echte nazi, zo studeerde hij samen met Heinrich Himmler aan de Technische Hogeschool van München. Door lid te worden van de SS lukte het hem om toch officier te worden. In 1933 vroeg zijn studievriend Himmler hem om commandant te worden van het gloednieuwe concentratiekamp Dachau. Wäckerle voerde daar een schrikbewind en stelde gevangenen bloot aan folteringen. Ook liet hij gevangen executeren bij insubordinatie en ongehoorzaamheid. Wegens wreedheden werd hij overgeplaatst naar de Waffen-SS.
Wäckerle had zijn bataljon tot op het bot getraind in de Auftragstaktik, een taktiek die uitgaat van het uitvoeren van een opdracht en niet zozeer om het volgen van specifieke orders. Officieren hebben de vrijheid om, weliswaar binnen bepaalde kaders, te bepalen hoe zij hun opdracht uit voeren. Hierdoor wordt er makkelijker gereageerd op veranderende situaties en kan er gehandeld blijven worden, ook als de communicatie stokt en er van “bovenaf” geen orders komen.
In de middag van 9 mei ontving Wäckerle zijn alarmbefehl en werkte dat daarna uit om vervolgens zijn compagniescommandanten te kunnen briefen. Ondertussen maakte zijn bataljon zich gereed voor het uitvoeren van de aanval.
SS-Regiment “Der Führer” betrok in de loop van de nacht van 9 op 10- mei 1940 met 2 bataljons haar uitgangsstelling, vlak voor de Duits-Nederlandse grens. Zoals eerder gezegd was één van de bataljons onder bevel gesteld en bevond deze zich bij 368e Regiment Infanterie. De ambitieuze Wäckerle was teleurgesteld, hij mocht niet voorop. Met enige tegenzin stelde hij zich aan het hoofd van zijn eigen bataljon op om achter het 1e bataljon Nederland binnen te trekken.
Ter ondersteuning van de hoofdaanval door het regiment “Der Führer” stak midden in de nacht, omstreeks 03:55h, in de buurt van grenspost 5, een overvalgroep de grens over. Deze Duitse groep, onder aanvoering van Oberfeldwebel Ernst Herrmann en Feldwebel Kurt Thormann, gekleed in Nederlandse uniformen, gingen op de fiets naar Arnhem. De route was gepland via Beek (Loerbeek), Didam, Zevenaar en Duiven. Het plan was om bij de ondermijnde bruggen bij Arnhem, bij Fort Westervoort de slagsnoeren van de explosieven door te knippen. Vervolgens moest de komst van de pantzerzug worden afgewacht. Door het geven van een lichtsignaal zou de machinist weten dat de brug veilig zou zijn. Dit plan ging uitlopen op een mislukking.
Rond 04.45h arriveerde de overvalgroep in Didam. In het centrum van Didam was in de aanloop naar de meidagen 1940 een dubbele wegversperring aangelegd. In het midden van de versperring was een slagboom geplaatst om het verkeer door te kunnen laten. De versperring werd bewaakt door de 1e sectie van de 2e compagnie van het 22e Grensbataljon, een groep van zo’n 30 man. Op het moment dat de Duitsers arriveerden liepen tussen de 2 versperringen 2 soldaten de wacht, waaronder soldaat Smit. Een Nederlandssprekend lid van de Duitse overvalgroep sprak Smit aan met de vraag te mogen passeren. Op dat moment was sergeant Kaspers wachtcommandant. Kaspers was commandant van een groep van 10 manschappen. Hij zat met een andere soldaat bij de telefoon in het wachtlokaal. Smit waarschuwde Kaspers direct door op het raampje van het wachtlokaal te tikken. Luitenant Koster, de sectiecommandant van de sectie, lag nog rustig te slapen in Het Zwijnshoofd. Overigens bestaat dit café-restaurant nog steeds. De rest van de sectie sliep in een nabij gelegen houten barak. De lichte mitrailleur bevond zich in de barak. Een Duitser, zich voordoende als Nederlandse sergeant, vertelde Kaspers dat hij een inspectiepatrouille aan het uitvoeren was. Kaspers bekeek de groep en zag onbekende wapens. Er bekroop hem een vermoeden maar besloot “het spel mee te spelen” en vroeg naar de commandant. Die bleek niet te vinden. Kaspers gaf ondertussen fluisterend een order, zijn mannen laadden hun wapens en stelden zich tussen de huizen op, de lopen van de wapens gericht op de Duitsers. Ook de lichte mitrailleur werd in stelling gebracht. Kaspers riep: “Jullie zijn omsingeld, geef je over of we openen het vuur!” De Duitsers gaven zich over en de actie van de Duitse overvalgroep was daarmee mislukt.
De Duitse panzerzug passeerde ook om 03.55h de Nederlandse grens en stond om 04.15h voor de laatste versperring op de Westervoortse spoorbrug. Er ontstond een vuurgevecht tussen de Duitsers en de Nederlandse troepen. De pantsertrein liep daarbij zware schade op veroorzaakt door de pantserdoorborende munitie van het Nederlandse antitankgeschut. Om 4.45h bliezen de Nederlanders de bruggen op. De trein kon niet verder, net als de actie van de overvalgroep was ook deze verassingsaanval mislukt.
Om 03.55h ging de voorste compagnie van het 1e bataljon van “Der Führer” de grens over. De Nederlandse grenswachters werden met handgranaten en man tot man gevecht overmeesterd. Daarna werd al snel het plaatsje Babberich bereikt, het eerste Angriffsziel van het regiment. Vervolgens liep het 1e bataljon vast vanwege het opruimen van de vele versperringen. Keppler wees nu het 3e bataljon van Wäckerle aan om voorop te gaan. Alle verkrijgbare fietsen werden in beslag genomen en de mannen van Wäckerle verplaatsten zich daarna, per fiets, zo snel mogelijk naar de brug bij Arnhem. Zijn voorste compagnie bereikte al binnen 2 uur na de grensoverschrijding de IJssel bij Arnhem. Wäckerle was te laat, de bruggen waren al opgeblazen, en hij kon niet anders doen dan zijn commandant Keppler inlichten.
Rivierkazemat Zuid op Fort Westervoort (1940)
Wäckerle ontving rond zonsopkomst de order om met zijn 3e bataljon de aanval op het fort uit te gaan voeren. Hij kreeg ondersteuning van de 10,5 cm houwitsers van 2e Abteilung SS Artillerie-Regiment en de vier 15 cm houwitsers van 11e Batterie 256e Artillerie-Regiment. Daarnaast kwam de 16e pionierscompagnie van het regiment onder zijn bevel. Nadat zijn voorste compagnie de IJssel bereikte begon een inleidende beschieting. De artillerie van het bataljon voerde, samen met de zware wapens van het regiment, een vernietigende barrage uit op zowel het fort als op de overige Nederlandse stellingen.
Enkele uren daarvoor inspecteerde 1e luitenant (reserve) Van der Hoeven de IJsselbrug. De avond ervoor had hij van de compagniescommandant het bericht “weest deze nacht bijzonder op uw hoede” gekregen, en hij nam dat bericht serieus. Van der Hoeven was commandant van de 4e sectie van de 4e compagnie van het 3e bataljon van het 35e Regiment Infanterie en had als opdracht het fort zelf te verdedigen. De rest van de 4e compagnie verdedigde het gebied ten zuiden van het fort tot aan de Nederrijn. Een andere compagnie van het bataljon verdedigde het gebied ten Noord-Oosten van het fort.
De sectie van Van der Hoeven bestond uit 36 man. De 3 groepen van de sectie waren verdeeld over de kazematten op de voorste wal van het Fort Westervoort. In de rivierkazematten Zuid en Noord waren een kanon van 5 en een zware mitrailleur geplaatst.
Het kanon van 5 is een Nederlands fabricaat kanon met een kaliber van 5 centimeter. De officiële benaming is Kanon Nederlands model 5 cm kazemat No.2, kaliber 50 x 338 R. Deze moderne kazematkanonnen waren aangeschaft voor de bewapening van verdedigingswerken bij Kornwerderzand en de IJsselovergangen. Voor de wapens waren 2 soorten brisant pantsergranaten en een brisantgranaat beschikbaar. De effectieve dracht was 2.500 meter.
De sectie Van der Hoeven was versterkt met een groep politietroepen, deze bedienden het kanon van 5 en de springladingen van de brug. De bruggen waren voorzien van zware hekken, poorten en andere versperringen. Hij had tevens 2 zware mitrailleurs Schwartzlose onder bevel, bediend door infanteristen die aan de sectie waren toegevoegd. Beide zware mitrailleurs waren geplaatst in de aparte kamers van rivierkazematten Noord en Zuid.
De Schwarzlose was een watergekoelde zware mitrailleur, qua basisontwerp in de meidagen al bijna 40 jaar oud, en functioneerde over het algemeen naar behoren. Het wapen werd als vrij betrouwbaar ervaren en had weinig storingen. De nadelen van het wapen waren het grote gewicht van 45 kilogram (met affuit) en de beperkte vuurkracht door de lage vuursnelheid van zo’n 400 schoten per minuut. De waterkoeling leverde ook nog wel eens problemen op, zeker als er langdurig werd gevuurd en er onvoldoende koelwater ter beschikking was.
Als laatste was de sectie versterkt met een stuk 8-staal, opgenomen in een semi-permanente opstelling op de wal van het zuidelijk deel van het Fort.
Dit type geschut had een kaliber van 8,4 centimeter en een vuursnelheid van slechts 2 schoten per minuut, en werd al in 1881 ingevoerd, was tijdens de Eerste Wereldoorlog al verouderd maar werd desondanks in reserve gehouden. De vuurmonden verdwenen naar de arsenalen en musea, om daar in 1939 weer uit tevoorschijn te komen om het tekort aan pantserafweergeschut en infanterie artillerie te compenseren. Het bedienen van het geschut onder vuur was niet zonder gevaar. De vuurmond was hoog en had dus van voren een groot raakvlak, de bediening moest voor opzetten en afnemen van richtmiddelen, bijrichten en zich daarbij blootgeven. Het effectieve bereik in 1940 bedroeg niet meer dan 3.000 meter. In totaal werden 108 van deze vuurmonden opnieuw ingezet, waarvan 29 in de IJssellinie. Veel stukken ware versleten en vertoonden gebreken, zelfs sluitstukken en trekkers ontbraken. De munitie was vaak verroest en moest daarom eerst gepoetst worden. De gevechtswaarde van het geschut was ondermaats, veel stukken weigerden al na het eerste schot, met sommige werden slechts enkele schoten gelost, één stuk deed het zelfs helemaal niet.
In totaal was de Nederlandse bezetting op dit deel van de linie 105 man. Rond 03.45h kreeg Van der Hoeven per radio het bericht: “hier zender Ambon, hier zender Ambon, storm uit het Noorden”, inhoudende dat de Duitsers de grens hadden gepasseerd, en voerde de opdrachten, die bij deze boodschap hoorden, direct uit.
Hij gaf opdracht de “zinkschepenversperring” te leggen. Dat lukte helaas niet omdat de commandant van deze versperring inmiddels al door Duitsers onder vuur werd genomen. Hij gaf ook opdracht om de versperring op de verkeersbrug en de spoorbrug definitief te stellen. De mannen die dit uitvoerden konden zich ternauwernood al schietend in veiligheid brengen, want op dat moment arriveerde de pantzerzug al. Duitse soldaten sprongen direct uit de trein en renden schietend de brug op, met als doel om de explosieven onschadelijk te maken. Van der Hoeven kon nog net op tijd de order geven aan Adjudant Onderofficier Instructeur Van Vierssen om de brug op te blazen. Met een aantal enorme knallen ging de brug, met daarop nog zo’n 5 Duitsers, de lucht in.
Van der Hoeven ging naar kazemat Zuid waaruit Van Vierssen al drukdoende was tegenvuur uit te laten brengen. De trein werd door het 5,5 cm geschut en het stuk 8 staal onder vuur genomen. Dit vuur was al snel effectief want de trein trok zo’n 1,2 kilometer terug naar Station Westervoort.
Na zo’n 15 minuten begonnen de Duitsers met hun 3,7 cm geschut het fort onder vuur te nemen. De pantsertrein bracht vuur uit op de iets hoger gelegen en daardoor makkelijker te raken Kazemat Noord. En met succes, want na 15 minuten incasseerde kazemat Noord enige voltreffers waarbij 3 gewonden vielen. De gewonden werden snel afgevoerd.
Het fort werd nu ook door zwaarder artillerievuur getroffen. Om 05.15h is daardoor ook de zware mitrailleur Noord en Kazemat 8 staal buiten gevecht gesteld, het verouderde kanon ging na 8 schoten kapot en vuurde niet meer. De trein verlegde daarna het vuur op Kazemat Zuid. Ook de Zware mitrailleur Zuid kreeg een weigering en vuurde vanaf 06.30h niet meer, de vuurkracht van het fort was daarmee nagenoeg verdwenen. De barakken stonden in brand en het telefoonverkeer lag plat, de onoverdekte loopgraven voor geweerschutters werden ontruimd. Rond 07.30h verlieten de bemanningen van de kazematten vanwege de zware beschietingen én vanwege het feit dat hun bewapening niet meer functioneerde hun post en meldden zich bij Van der Hoeven.
Wäckerle kreeg nu de mogelijkheid om zijn zwaardere wapens, waaronder de mitrailleurs, naar voren te brengen. Ook deze brachten vervolgens ondersteunend vuur uit. Daarna werden de FloBsäcke (drijfpakketten), waarmee de rivier kon worden overgestoken, naar voren gebracht en gereed gemaakt. Terwijl de Duitsers hun artillerievuur verlegden, slaagde de pioniercompagnie onder leiding van Hauptsturmfuhrer Edmund Kuttelwascher er om 08:30h in om de rivier te bereiken en de eerste oversteekpoging te wagen. De omstandigheden voor zo’n oversteek waren vreselijk ongunstig vanwege de steile rivierbeddingen, de vijandelijke Nederlandse opstellingen aan de overkant en de vele draadversperringen. Kuttelwascher ging als eerste met de drijfpakketten en bootjes naar de overkant. De bemanning van de lichte mitrailleurs Zuid en Noord zagen dat de Duitsers aan het oversteken waren. Vanwege het zware en nauwkeurige Duitse vuur konden zij hun wapens niet goed richten. Ze knoopten daarom touwtjes aan de trekkers en gaven zo goed en zo kwaad als het ging stormvuur af. Bij deze actie sneuvelde Kuttelwascher.
SS-Obersturmfuhrer Willy Henrichs van de 15e pionierscompagnie reed op een motor met zijspan naar voren. In zijn haast reed hij in een klein mijnenveld langs de Oude Veerweg. Een luide explosie volgde waarbij hij en 2 andere SS-ers sneuvelden. Om 09.20h staken ook de andere compagnieën van het 3e bataljon over en vielen daarna direct het fort aan en wisten ook al snel het fort binnen te dringen.
Ondertussen kreeg Van Vierssen telefonisch van de bataljonsstaf de opdracht om de soldaten die niet direct bij het gevecht betrokken waren, te evacueren naar de bataljonspost in Velp. Hij nam daarop afscheid van Van der Hoeven en wist met zo’n 13 man per motor en fiets het fort te ontvluchten. Van der Hoeven besloot na overleg met zijn resterende groepscommandanten rond 09.30h om het fort over te geven. Hij liet een witte vlag plaatsen voor het Rivierkazemat Zuid. Na enige tijd stopte het schieten en werden de mannen van Van der Hoeven krijgsgevangen genomen.
De Nederlandse troepen van de 1e compagnie in het Noordelijke vak hadden geen weet van de overgave door Van der Hoeven. Op een gegeven moment zagen zij de Duitsers naderen en namen deze direct onder vuur. De Duitsers zagen deze actie als schending van het oorlogsrecht, immers er werd doorgevochten terwijl er al sprake was van een overgave. Ze besloten met gelijke munt terug te betalen en gebruikten krijgsgevangenen uit het Zuidelijke vak als levende schilden.
Het Duitse artillerievuur dat om 10:00h naar achteren, naar het Westen, werd verlegd kwam terecht op de tweede verdedigingslijn, een spoordijk ten oosten van de nieuwe woonwijk aan de Johan de Wittlaan. In deze tweede lijn zat sergeant-majoor instructeur van Battum. Hij commandeerde de “stekelvarkens” W5, 13 en 14. Hij had weliswaar geen zicht op de rivier maar kon met zijn nummer 14 wel de bogen van de brug bevuren. Rond 07.30h nam het artillerievuur toe en hoorde hij dat de compagnies commandopost verlaten was, de telefooncentrale was daar al niet meer bezet. Even later werd hij vanuit het fort door de Duitsers onder vuur genomen. Al die tijd had hij met niemand contact en wist niet hoe het gevecht was verlopen. Rond 10.00h nam het artillerievuur toe en besloot hij om terug te trekken. Adjudant Johannes Klinkspoor sloot met zijn mannen aan. Klinkspoor had zijn geweeropstellingen van wege het zware artillerievuur moeten verlaten. Het lukte hem niet om de bemanningen van de stekelvarkens mee te krijgen, deze bleven op hun post.
Met zo’n 18 man trokken zij terug naar naar Arnhem waar zij rond 10.30h aan kwamen. Deze groep wist uiteindelijk Leersum te bereiken. Daar werden zij als “Detachement Dewez” geformeerd onder leiding van reserve Kapitein Dewez. Het detachement werd ingedeeld bij het 3e bataljon van het 11e Regiment Infanterie.
Om 10:35h was het merendeel van het Duitse bataljon overgestoken en werd het restant van de Nederlandse stelling snel opgerold. Ook werd, bij het eerste viaduct achter het fort, de compagniescommandopost van de 4e compagnie ingenomen. Compagniescommandant Kapitein Heijnen werd daarbij gevangengenomen.
Rond 11:00 uur was de strijd om het fort en de bruggen definitief voorbij, Wäckerle was met zijn mannen aan de overkant. Het was wel een kostbare strijd, hij verloor zo’n 70 man van zijn bataljon, waarvan 21 doden. Dit lijkt niet veel maar het is wel zo’n 15% van de bataljonssterkte. Aan Nederlandse zijde sneuvelden 9 man en waren er minstens 9 gewonden. Na een snelle consolidatie en reorganisatie trok Wäckerle direct door richting Arnhem.
Direct na de inname van Fort Westerfoort werd het zware materieel van de 207e divisie naar voren gebracht. De Brückenkolonne begon in een moordend tempo een 8-tons pontonbrug te slaan. Nadat deze al om 14:50h gereed was ging de rest van het regiment inclusief al het zware materieel, waaronder de artillerie, via deze brug in Westwaartse richting om aansluiting te houden met de voorste eenheden van Wäckerle, die inmiddels al de buitenwijken van Arnhem hadden bereikt.
De beide bataljons van het regiment “Der Führer” trokken nu snel door richting Grebbeberg. Met Wäckerle voorop, in een geconfisqueerde autobus. En met een groot deel van de Duitse SS-ers op een Nederlandse fiets.