De ochtend van de tweede Pinksterdag brak aan. Overal langs de wegen trokken Nederlandse soldaten naar het westen. De Grebbelinie, al twee dagen lang verdedigd tegen een overweldigende Duitse aanval, stortte in.
Aan de Bergweg, in stellingen ten westen van de spoorlijn Rhenen-Veenendaal, was de 4e Mitrailleurcompagnie (4 M.C.) in positie. De compagnie stond onder bevel van reserve-eerste-luitenant ir. A.A. Bonnema, een ingenieur uit Elst die noodgedwongen het commando had overgenomen van de naar de divisiestaf overgeplaatste kapitein Hendriks. Drie secties bewaakten het schootsveld langs de spoorlijn, met als opdracht vuur uit te brengen tussen kilometerpaal 25 en 26. De 3e en 4e sectie stonden opgesteld aan de Bergweg, de 1e sectie west van de watertoren op de Koerheuvel.
De 1e sectie deserteerde na ongegronde geruchten dat zij van de watertoren beschoten werden. Een onbekende kapitein had in de loopgraaf geroepen dat de Duitsers waren doorgebroken. De mitrailleurs werden in de struiken gegooid en de mannen vluchtten.
Bonnema trok naar de Koerheuvel om de toestand te onderzoeken. Hij liet het commando over aan sergeant-majoor-instructeur Vos. Wat daarna volgde illustreert hoe snel een verdediging kan instorten. Vos verliet zonder bericht zijn post, de Divisiecommandopost bleek verlaten, en terugtrekkende troepen stroomden in een onafgebroken stroom westwaarts. Zelfs Bonnema’s eigen commandant, majoor Van Apeldoorn, passeerde de stelling met de woorden: “Het is niet meer te houden, wij gaan terug.”
Eén sectie bleef.
De 4e sectie, onder sergeant-capitulant Croonen, zat in haar stelling terwijl het voorterrein rondom haar leegliep. Geen bevel, geen bericht, geen commandant. Een ordonnans meldde dat de rest van 4 M.C. was vertrokken. De mannen wilden ook gaan. Croonen weigerde. “Wij blijven hier,” zei hij. “De luitenant laat mij niet zomaar in den steek.” Met het pistool in de hand dwong hij zijn sectie in stelling te blijven.
Hij had gelijk. Bonnema keerde terug, constateerde dat de stelling nog intact was en gaf het bevel tot geordende terugtocht. De 4e sectie verliet als laatste de stelling, met al haar materieel, zonder één schot op de vijand te hebben gelost.
Bonnema sloot zijn verslag met een zin die zowel zelfreflectie als eerbetoon was:
“Moge ik besluiten met Sergeant-capitulant Croonen eervol te vermelden; de rest der compagnie is deze vermelding niet waard en dat treft rechtstreeks mij, want zooals de commandant is, is de compagnie.”
In de chaos van 13 mei 1940 was het niet de grootse heldendaad of het beslissende gevecht dat het verschil maakte. Het was het vertrouwen van één jonge onderofficier in zijn commandant. En de moed om dat vertrouwen vast te houden terwijl alles om hem heen instortte.
Bronnen: Verslag van reserve-eerste luitenant A.A. Bonnema (5 februari 1941); Verklaring van reserve-eerste luitenant A.A. Bonnema (10 december 1947); Verhoor van reserve-majoor J.B. van Apeldoorn (23 augustus 1940). Alle documenten afkomstig uit het archief van de Sectie Militaire Geschiedenis (NIMH).