Wanneer je vanuit Wageningen de Wageningse Afweg oploopt, zie je na ongeveer honderd meter aan je linkerhand een oude schuur met rode dakpannen. Deze schuur is gebouwd bovenop een nog oudere min of meer geïmproviseerde betonnen opstelling, waarvan de schietopening een schootsveld biedt richting Wageningen. De schuur maakt deel uit van De Rijnschans, een rijksmonument dat in de meidagen van 1940 bekend stond als Huize Rijnzicht. Deze betonnen opstelling was destijds een van de meest vooruitgeschoven verdedigingsstellingen in het voorpostengebied en hoorde bij de sectie onder leiding van vaandrig Bijlsma. De opstelling was voor de mitrailleurgroep van sergeant Reijmes. Vandaag de dag is deze “bunker” het enige overblijfsel van de Nederlandse verdedigingswerken in het voorpostengebied.
Sergeant-majoor instructeur Bernardus Ludovicus Adriaan Blom had de leiding over de 3e sectie van de 1e compagnie van het 3e bataljon van het 8e Regiment Infanterie. Zijn eenheid zou nu een peloton heten. Hij beschikte over 3 groepen met elk een lichte mitrailleur. Zijn opstelling bevond zich in het rechterdeel van het voorpostengebied, ten zuiden van de straatweg. Blom was met zijn sectie in Wageningen ingekwartierd en kwam in de nacht van 9 op 10 Mei net als het hele 8e regiment in stelling.
Blom was een echte beroepsmilitair en was vanaf zijn 18e in dienst. Hij had inmiddels 35 dienstjaren. Hij had al heel wat soldaten opgeleid en was een voorbeeld voor zijn mannen.
De 3e sectie bevond zich vóór de commandoposten van de 1e compagnie van kapitein Gouda en die van bataljonscommandant majoor Voigt. De sectie van Blom lag min of meer op linie, met de linkergroep aan de straatweg, één groep aan de Wageningse Afweg en de derde groep tussen de Afweg en de Grebbedijk. Tussen de middelste en rechter groep zich een sectie zware mitrailleurs onder leiding van vaandrig Tack.
Blom bevond zich centraal, bij de middelste groep van sergeant Meyering. Deze groep bestond uit korporaal Rasink en de soldaten Van der Linden, Sprukkelhorst, Mulder, Riggeling, Alberts, Jansen, Migchelbrink, Nagelhout, Norden, Van Oosteren, Polman en De Reus.
De 1e compagnie van Gouda had als taak om het rechterdeel van het voorpostengebied te verdedigen. Dit gebied bevond zich tussen de straatweg en de Neder-Rijn. Parrallel aan en ten zuiden van de straatweg liep de Wageningse Afweg. Kronkelend langs de Neder-Rijn liep de Grebbedijk. Over de Grebbedijk, vanaf Wageningen, was er eerst een afslag naar de Wageningse Afweg en daarna een afslag naar de Steenbakkerij De Blauwe Kamer, het motorgemaal en het pont- of voetveer.
De compagnie van Gouda was opgesteld in een gebied van zo’n 1.000 bij 1.000 meter. Voor hedendaagse begrippen is dat een enorm gebied, te groot om met een compagnie te verdedigen. Gouda zijn compagnie bestond uit 4 secties, verdeeld over 19 groepssteunpunten, elk bezet met een lichte mitrailleur, en een compagniescommandopost. De 1e sectie van Bijlsma vooraan, vlak tegen Wageningen. Daar linksachter de 4e sectie van Nahuijssen, rechtsachter de 1e sectie van Lindeman. Blom was met zijn 3e sectie de Hekkesluiter. En compagniescommandant Gouda zat met zijn commandopost weer achter Blom.
In het gebied bevonden zich ook twee secties van de mitrailleurcompagnie en 2 stukken artillerie 6 Veld. Deze ondersteunende wapens stonden niet onder zijn directe bevel, Gouda had daar dus geen zeggenschap over.
Na de alarmering bracht Gouda zijn compagnie vrijdagochtend in stelling. Gouda liet alle voorste punten bezetten, om zodoende de tankgracht, waar slechts 60 centimeter water in stond, in zijn geheel te kunnen beschermen. Dit had hij ook tijdens de bataljonsoefening van 17 en 18 April 1940 al voorgeoefend. Bataljonscommandant Voigt was het daar niet mee eens en gaf Gouda opdracht om naar de oudere oorspronkelijke verder naar achteren gelegen posities te gaan. Maar de aanhouder won, Gouda kreeg even later wel toestemming. Allemaal behoorlijk verwarrend, maar uiteindelijk was de compagnie vrijdag aan het einde van de middag in stelling en gereed om de Duitse aanval af te slaan.

In de vroege avond kreeg Gouda van zijn verkenners bericht dat er soldaten in “rare pakken” en “rare voertuigen” op weg waren naar Wageningen. De rare pakken waren de voor die tijd revolutionaire camouflagepakken van de Duitse SS. Gouda liet hierop de geplande versperringen plaatsen. Omdat de tankgracht niet af was, was de versperring niet helemaal compleet. Gouda gaf de vijandsmelding door aan zijn sectiecommandanten.
De gevechtsopstellingen van Gouda waren dus nog niet helemaal af. Net als op de rechterflank bij De Haas en Zwarts waren de schootsvelden niet geheel vrijgemaakt. En ook hier was er een probleem dat we gedurende de gehele slag gaan tegenkomen. De mitrailleurs konden namelijk alleen in de hoofdschootsrichting vuren. Waardoor de verschillende groepen elkaar niet goed met vuur konden ondersteunen. Viel één mitrailleurgroep uit dan konden vijandelijke eenheden makkelijk doorbreken en zonder veel moeite de andere opstellingen van achteren en in de flank aanvallen en uitschakelen.
Vrijdagnacht werd er al veel gevuurd door de Duitse artillerie. Deze hadden hun geschut opgesteld in Wageningen, onder andere achter het slachthuis en achter de drukkerij van Zomer en Keuning. Overigens bestaat deze drukkerij, nu een uitgeverij, nog steeds, zij het dat deze inmiddels verhuisd is naar Utrecht.
Omstreeks 07.30h kwam de voorste linie van Gouda onder gericht vijandelijk artillerievuur te liggen. Dit was een zogeheten inleidende beschieting, voorafgaande aan de aanval door de infanterie.
Bijlsma kwam ook onder dit artillerievuur. Zijn 2e sectie bevond zich rechtsvoor, zo’n 50 meter achter het snijpunt Wageningsche Afweg–Grebbedijk. Bijlsma had 3 groepen, de voorste groep bij huize Rijnzicht en 2 groepen wat meer naar het Noordwesten, tussen de Afweg en de straatweg. Het “stuk veld 6” van korporaal Borghuis bevond zich vlak bij de voorste groep.
Deze positie was verder versterkt met de 1e sectie van de mitrailleurcompagnie. Eén van de drie zware mitrailleurs van deze sectie stond bij de cementfabriek De Hoop aan de uiterste rechterflank en bestreek de uiterwaarden. De andere twee mitrailleurs bevonden zich links van de sectie van Bijlsma, tussen de straatweg en de Wageningse Afweg.
Rond 08.00h kreeg de opstelling van het “stuk 6 veld” bij Bijlsma twee treffers te incasseren. Wachtmeester Houben, sectiecommandant van de stukken 6 veld, ging op zijn stelling staan en lokaliseerde de Duitsers bij de oprit van de Grebbedijk. De afstand was zo’n 750 meter. Het stuk 6 veld opende daarop onmiddellijk het vuur. Er was weinig tegenvuur, maar rond 09.00h werd wel een derde treffer geïncasseerd.
Naast direct vuur afgegeven door de “stukken 6 veld” lag er ook indirect vuur. Dit zogenaamde “afsluitingsvuur” op het kruispunt van de Straatweg en Wageningse Afweg te liggen werd afgegeven door de zware artillerie die zich achter de Grebbeberg bevond. Zo’n afsluitingsvuur is artillerievuur dat goed is voorbereid.
Al met al verliep de Duitse aanval minder voortvarend dan de aanval in het noordelijke gebied van Zwarts en De Haas. In tegenstelling tot dat gebied was dit zuideljke deel van het voorpostengebied namelijk wél in zijn geheel voorzien van redelijk goed voorbereide opstellingen. En anders dan bij De Haas deed de artillerie hier goed werk. Het was ook niet zo dat sommige groepen het gevecht ontweken en direct terugtrokken.
Ondertussen werd de mitrailleuropstelling bij cementfabriek De Hoop uitgeschakeld, waarbij 1 gewonde viel. Gouda gaf de commandant van de mitrailleurcompagnie, kapitein Cornelissen, opdracht om één mitrailleur – die van sergeant van der Neut – van de 2e sectie van vaandrig Tack naar de cementfabriek te verplaatsen. Het lukte van der Neut helaas niet om door het vijandelijk vuur te komen. Deze mitrailleurgroep viel rond 08.30h terug naar de Grebbeberg.
De Duitsers zaten verschanst in de loods van boerencoöperatie, zo’n 150 meter oost van kruising Grebbedijk en Kunstweg. Nadat Bijlsma deze locatie had doorgegeven vroegen de artillerie inlichtingenofficieren direct vuur aan op deze vijandige locatie. De aanvraag werd gehonoreerd en al snel sloegen de granaten in. Er werd ook vuur aangevraagd op de Rooms-Katholieke kerk, waar een artillerie waarnemer werd vermoed. Helaas werd per abuis de verkeerde kerk, namelijk de Protestantse kerk, geraakt en in brand geschoten.
Het “stuk 6 veld” bij Bijlsma bleef geruime tijd doorvuren totdat de vierde treffer het geschut onklaar maakte. Borghuis stuurde een ordonnans naar achteren om een nieuw stuk aan te vragen. Dat kwam niet waarop Borghuis terugtrok naar de Grebbeberg en uiteindelijk naar Elst om daar herbewapend te worden. Het stuk 6 veld heeft uiteindelijk dus niet meer dan 4 schoten gelost.
Na het terugtrekken van de mitrailleursectie en het verlies van het stuk 6 veld van Borghuis was de slagkracht van de voorste linie behoorlijk verminderd. Bijlsma gaf daarop aan ook terug te willen trekken. Gouda gaf echter geen toestemming, Bijlsma diende stand te houden.
Pas rond 12:00h, na de tweede inleidende artilleriebeschieting, begon de Duitse hoofdaanval. De infanterie van de SS rukte op door een boomgaard langs de straatweg. De rechtergroep van Bijlsma, die van sergeant Reijmes, klommen uit hun opstelling om vuur uit kunnen brengen.
De zware mitrailleurs links van Bijlsma werden al snel overrompeld – waarschijnlijk zaten de soldaten nog in de schuilplaatsen – en hebben geen schot gelost. Reijmes wist tot 13:00h stand te houden en trok daarna met Bijlsma terug op de sectie van Lindeman.
Al met al wist Bijlsma de Duitse aanval aanzienlijk te vertragen waardoor pas rond 13:30h de vijandelijke aanval zich verder kon ontwikkelen.
De 4e sectie van Nahuijsen zat aan de straatweg, linksachter die van Bijlsma. Hij had één voorste groep ter hoogte van kilometerpaal 2,2. De achterste twee groepen bevonden zich zo’n 500 meter achter de voorste groep. Een “stuk 6 veld” onder leiding van korporaal Verweij bevond zich bij de voorste groep.
Rond 11.00h berichte Nahuijsen aan Gouda dat op zijn linkerflank, dus in het gebied van de compagnie van Zwarts, een witte vlag op een steunpunt stond en dat de soldaten gevlucht waren of zich hadden overgegeven. Gouda vroeg daarop direct artillerievuur aan op de genoemde positie. De Duitsers begonnen vanaf deze positie de voorste groep van Nahuijsen en het “stuk 6 veld” onder vuur te nemen. Dit vuur kon niet worden beantwoord omdat de schietsleuven van de mitrailleuropstellingen daar niet op berekend waren, deze konden alleen in de hoofdschootsrichting vuren. De geweerschutters konden wel vuur uitbrengen en deden dat ook goed. Het “stuk 6 veld” heeft uiteindelijk ongeveer 6 keer kunnen vuren.
Rond 15.00h besloot Nahuijsen om met zijn eenheid terug te trekken door een greppel langs de straatweg tot aan de Grenshoeve. Zij sloten zich daar aan bij de bataljonscommandopost van Voigt. De bemanning van het “stuk 6 veld” maakten het kanon onklaar en trokken terug. Ter hoogte van kilometerpaal 1,2 gingen de overgebleven soldaten in een provisorische stelling om de vijand met de gewone persoonlijke wapens op te vangen. Overtollige munitie werd naar de Grebbeberg teruggebracht.
Om 13.00h ontving Gouda bericht dat de compagnie van zijn collega Zwarts zich had overgegeven. Gedurende het gevecht had Gouda alleen ordonnansverbinding met zijn secties, echter deze werkte niet i.v.m. het hevige artillerievuur. Ook de telefoonverbindingen waren slecht. Er was wel een verbinding met de bataljons commandopost maar die had weer geen verbinding met het regiment. Al met al geen ideale situatie om overzicht te houden op, en leiding te geven aan het gevecht.
De 1e sectie van Lindeman bevond zich rechtsachter de sectie van Bijlsma, tegen de Neder-Rijn aan. De twee voorste groepen van Lindeman bevonden zich in een boomgaard en hadden een zeer slechts schootsveld. Ook hier waren de schootsvelden niet geruimd. De boomgaarden moesten blijven staan. Lindeman zelf zat met zijn eigen groep zo’n 100 meter achter zijn voorste groepen.
Rond 15:00h werd de sectie van Lindeman door de Duitse infanterie aangevallen. Even tevoren was de sectie van Bijlsma hier ook beland. Bijlsma had zich niet aan de opdracht “stand houden” kunnen houden en was terug getrokken. Bijlsma zelf zocht positie in de gevechtsopstelling van Lindeman.
Eén van de groepen, onder leiding van opvolgend groepscommandant sergeant Roskam, had zich aan het gevecht onttrokken wen was terug gevallen richting de Grebbeberg.
De overgebleven groep voorste groep van Lindeman – die met het beperkte schootsveld – werd al snel in de flank aangevallen. De opstellingen werden door de SS bestormd en met handgranaten en vlammenwerpers uitgeschakeld. De enige overlevende was soldaat Könning.
Lindeman was getuige van de aanval op en het uitschakelen van de voorste groepen. Hij had daar zicht op en hoorde het geschreeuw van de mannen die levend verbrandden. Bijlsma en Lindeman verdedigden zich tot het uiterste. Bijlsma raakte hierbij gewond. Lindeman besloot om onder dekking van eigen vuur met het restant van beide secties terug te trekken en via het veer over de Rijn te ontsnappen. Bij deze terugtocht werd hij ook nog eens door eigen troepen, namelijk de sectie van sergeant-majoor Hesterman, die op de Zuidoostkant van de Grebberg was geposteerd, onder vuur genomen.
Nadat de voorste 3 secties waren uitgeschakeld bleef Blom nog over, de laatste barrière tussen de aanvallende Duitsers en de commandoposten van de compagnie en het bataljon.
Blom had de hele dag met zijn sectie in de schuilplaatsen doorgebracht. Het hele voorpostengebied lag namelijk onder Duits artillerievuur. Blom kreeg mee dat de andere 3 secties aan het vechten waren, terugtrokken of op de vlucht sloegen. Al snel werd ook hij aangevallen.
Hij verdedigde zijn opstelling goed, het moreel van zijn mannen was hoog. De schootsvelden vanuit de schietsleuven waren beperkt, de mannen gingen soms boven de borstwering uit vuren. Blom haalde ze daar dan weer vanaf, omdat ze zo een te kwetsbare vuurpositie hadden.
Rond 14.00h zag Blom dat de positie van de zware mitrailleurs van vaandrig Tack zo’n 50 meter rechts van hem een witte vlag had gehesen. Tack was zonder enig bericht vertrokken, later verklaarde hij dat hij was omsingeld en door de Duitsers had weten heen te glippen. Blom moest het daarom zonder de broodnodige ondersteuning van de zware mitrailleurs doen. Een behoorlijke tegenvaller.
Die witte vlag was op zijn zachts gezegd heel vervelend, immers Blom realiseerde zich dat hij niet meer kon vechten als naastgelegen eenheden zich hadden overgegeven. Dat was volgens het oorlogsrecht. Blom wilde doorvechten, die vlag moest dus weg. Soldaat Michelbrink melde zich als vrijwilliger en het lukte hem om onder artillerie- en mitrailleurvuur bij de opstelling te komen en de vlag weg te halen. Michelbrink tijgerde terug en kwam na zo’n 45 minuten weer aan bij Blom, met de witte vlag in zijn mond. Michelbrink melde dat de mitrailleurpost en ook de rechterpost van Blom zijn sectie al geheel verlaten waren. Blom had nu dus nog maar twee groepen met elk een mitrailleur.
Soldaat Mulder, één van de ordonnansen, werd rond 15.00h richting de compagniescommandopost van Gouda gestuurd om artillerievuur aan te vragen. Daar aangekomen bleek er geen communicatie meer te zijn, alle telefoonverbindingen waren al door artillerievuur vernietigd, de draden waren simpelweg doorgesneden. Het lukte Mulder niet om door het vijandelijk vuur heen terug te keren naar Blom.
Rond 16:00h waren van het gehele voorposten bataljon alleen de compagniescommandopost van Gouda, de bataljonscommandopost van Voigt en de helft van de sectie van Blom nog intact.
De commandoposten van Voigt en Gouda lagen voortdurend onder artillerievuur en werden rond 16.30h omsingeld. Van de omsingeling was weinig waar te nemen, de Duitsers waren namelijk uitstekend gecamoufleerd en maakten gebruik van sloten en andere zicht- en vuurdekkingsmogelijkheden. De Duitsers vielen over de linkerflank aan. De Duitsers maakten ook gebruik van krijgsgevangen. Deze dreven zij voor zich uit waardoor de verdedigers niet konden of wilden vuren. Gouda zag dat de bataljonscommandopost – met zo’n 40 man – zich overgaf. Gouda besloot daarna om de 6 man van zijn commandogroep niet voor niets op te offeren en gaf zich een kwartier later rond 16.45h ook over.
Inmiddels was het zo rond 17.00h en was dus alleen de groep van Blom nog over. De Duitsers vielen over 2 assen aan, met één peloton frontaal over de Wageningsche Afweg, een ander peloton maakte een omvatting via de verlaten mitrailleurposten op Blom zijn rechterflank. Blom liet zijn mannen steeds wachten tot de aanvallers vlakbij waren en opende dan het vuur. Aanval na aanval werd zo afgeslagen. Uiteindelijk maakten de Duitsers een omvatting en vielen Blom vanaf de straatweg in zijn linkerflank aan. Blom had geen contact met zijn linker groep en zag dat de Duitsers daar een mitrailleur opstelden. Michelbrink schakelde diverse malen de Duitse mitrailleurschutters uit, met de vermelding aan Blom: “majoor, die staat niet meer op”. Nu probeerden de Duitsers vanuit de bomen te schieten. Omdat die vol in blad stonden was het nagenoeg onmogelijk de vijand te lokaliseren. Blom was genoodzaakt te gaan schuilen. Blom wierp ook zelf de handgranaten richting de Duitsers. Het vuren hield daardoor op. Maar snel daarna gingen de Duitsers tot de aanval over. Ook zij wierpen handgranaten. Gelukkig had Blom kippengaas laten plaatsen en vielen de handgranaten dus niet in de loopgraven.
De groep van Blom raakte zo langzamerhand behoorlijk ingesloten. Nadat alle munitie verschoten was gaf Blom zich als laatste van het voorpostenbataljon rond 18.00h over. Blom stak een wit kussensloop gevuld met stro op een bajonet naar buiten.
De mannen van Blom werden één voor één naar buiten gedirigeerd. De eerste twee, de soldaten Migchelbrink en Riggeling, werden bij het naar buiten komen direct dood geschoten, waarschijnlijk omdat ze nog een geweer in de handen hadden. Los van deze 2 gesneuvelden was er nog één gewonde, de soldaat Albers. Alberts had een buikschot maar is later geheel hersteld.
Nadat ze de loopgraaf hadden verlaten bleek dat Blom door zo’n 60 Duitsers was overmeesterd. Die waren natuurlijk niet blij, ze hadden behoorlijke verliezen geleden. De Nederlandse mannen werden geslagen, gestompt en uitgescholden.
De mannen van Blom moesten hun uitrusting afdoen en zich opstellen voor een drietal Duitse mitrailleurs. Blom was ervan overtuigd dat ze vermoord zouden worden. Gelukkig rende een Duitse officier naar de groep toe en gaf opdracht om te stoppen met de op handen zijnde executie. Uiteindelijk werd de groep in krijgsgevangenschap afgevoerd naar Wageningen. Daar aangekomen begreep Blom dat zij als laatsten van het gehele voorpostengebied stand hadden gehouden.
Migchelbrink en Riggeling werden in een geïmproviseerd graf langs de zandweg bij boerderij Middelkoop bij de Wageningse Afweg begraven. Op 3 juni 1940 werden zij herbegraven op het Militair ereveld Grebbeberg.
Migchelbrinck werd door Blom voorgedragen voor en ontving postuum de Militaire Willems-Orde:
“Heeft zich in den strijd, door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw onderscheiden, door zich op 11 mei 1940 onder vijandelijk artillerie- en mitrailleurvuur naar een verlaten nevensteunpunt in de voorpostenstrook van de Grebbelinie te begeven en een aldaar geplaatste witte vlag weg te halen, waardoor de infiltratieaanduiding was verdwenen. Heeft de bediening van een vijandelijke mitrailleur neergelegd, welke bediening reeds een deel van een nevenliggend steunpunt had bezet. Is bij de verdediging van het eigen steunpunt gesneuveld.”
Soldaat Mulder ontving het Bronzen Kruis voor zijn:
“moedig optreden tegenover den vijand door op 11 Mei 1940 als ordonnans eener sectie opgesteld in steunpunten van de voorpostenstrook van de Grebbelinie, West van Wageningen, herhaaldelijk op onverschrokken wijze berichten van zijn sectiecommandant over te brengen onder zwaar vijandelijk vuur van een met overmacht aanvallenden vijand. Aan de het laatst ontvangen opdracht alleen niet hebben kunnen voldoen, omdat hij daarbij werd gestuit niet alleen door ‘s vijands maar ook door op hem gericht vuur van eigen troepen, die zijn uniform niet wisten te onderscheiden”
Sprukkelhorst en Van der Linden werden ook onderscheiden met het Bronzen Kruis, Blom zelf werd onderscheiden met de Bronzen Leeuw.
Van de 1e compagnie van Gouda zijn uiteindelijk 24 man gesneuveld, dat is ongeveer 1/5 deel van de sterkte.