De Grebbeberg is een beladen plek in de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. In de meidagen van 1940 sneuvelden er 422 Nederlandse militairen. Toch is de strijd die zich hier afspeelde voor veel Nederlanders vooral een naam en een jaartal gebleven. Met Duivelsberg – De strijd om de Grebbeberg, meidagen 1940 probeert Derk Wisman die geschiedenis opnieuw tot leven te brengen. Niet vanuit het perspectief van generaals en strategische analyses, maar vooral aan de hand van dagboeken, verklaringen en verslagen van de militairen die er zelf bij waren. Dat is een sympathieke en waardevolle opzet. Wisman, reserve-majoor der mariniers en veteraan, raakte bij de geschiedenis van de Grebbeberg betrokken doordat een broer van zijn grootvader daar sneuvelde. Zijn boek is duidelijk ook een vorm van eerbetoon aan de militairen die er vochten en stierven.
De vraag is alleen of zijn methode er ook in slaagt de lezer werkelijk inzicht te geven in wat zich tijdens die drie meidagen heeft afgespeeld. In zijn inleiding schrijft Wisman dat hij bij zijn onderzoek “overweldigd” werd door de chaos. Hij probeert die te ordenen door de gebeurtenissen chronologisch te presenteren. Dat is een van de sterke kanten van het boek. De lezer gaat van 10 naar 11, 12 en 13 mei en krijgt tal van persoonlijke ervaringen voorgeschoteld. Angst, verwarring, kameraadschap, uitputting en moed krijgen daardoor een gezicht. Maar paradoxaal genoeg draagt Wisman soms zelf aan de verwarring bij.
“Methodische zorgvuldigheid”
Voor het hoofdstuk waarin de militaire slagorde wordt behandeld, formuleert hij een streng uitgangspunt. Om “methodische zorgvuldigheid” te betrachten beperkt hij de slagorde voornamelijk tot bataljons en compagnieën/eskadrons. Commandanten die in de geraadpleegde bronnen niet bij naam worden genoemd, blijven ook in zijn boek onbenoemd. Die terughoudendheid is verdedigbaar. Een historicus moet geen namen invullen die hij niet kan staven. Maar methodische zorgvuldigheid mag niet ten koste gaan van de begrijpelijkheid. Soms lijkt Wisman de methode belangrijker te vinden dan de lezer. Waarom bijvoorbeeld een staf wel wordt genoemd, maar een naam die in een relevante verklaring wél voorkomt buiten beeld blijft, is niet altijd duidelijk.
Dat probleem doet zich ook voor bij de geografische en militaire samenhang. Duivelsberg is slechts beperkt geïllustreerd. De zwart-witfoto’s geven een indruk van de omstandigheden, maar voor een boek over een veldslag zijn vooral goede kaarten van belang. Er zijn enkele kaarten, maar juist die schieten tekort. Zo ontbreekt op een kaart de Anna-hoeve en op een andere worden wel de posities van de eerste en derde compagnie van II-8 RI aangegeven, maar niet die van de mitrailleurcompagnie van III-8 RI, terwijl die in de gevechten een belangrijke rol speelde. Je vraagt je af of dit een bewuste keuze is of een gemiste kans. Wie de strijd “op de voet” wil volgen, moet kunnen zien waar de verschillende eenheden zich bevinden, waar de tegenstander zit en hoe de frontlijn zich verplaatst. Goede, gedetailleerde kaarten zouden daarbij geen luxe zijn geweest.
Hoofdstuk 5 als proef
Dat wordt duidelijk wanneer we hoofdstuk 5 wat nauwkeuriger bekijken. Daar worden achtereenvolgens verschillende secties en individuele militairen opgevoerd. Namen verschijnen en verdwijnen, maar de lezer krijgt niet altijd voldoende informatie om te begrijpen bij welke eenheid zij horen of hoe hun posities zich tot elkaar verhielden. De behandeling van de mitrailleurcompagnie van III-8 RI is daarbij opvallend. Er is bronnenmateriaal over deze eenheid beschikbaar, waaronder een officiële verklaring van kapitein G. Cornelissen. Toch wordt hij slechts beperkt genoemd. Dat is jammer, want juist zijn verklaring werpt licht op verschillende aspecten van de gevechten. Zo wordt door Wisman gesproken over het slechte schootsveld van de mitrailleurs, terwijl dat ook in de verklaring van Cornelissen expliciet aan de orde komt. Ook bij andere onderdelen blijft onduidelijk waarop bepaalde keuzes berusten. Zo wordt de artilleriesteun tegen de rooms-katholieke kerk in verband gebracht met Blom of Bijlsma, terwijl uit de officiële verklaring blijkt dat het verzoek door Cornelissen werd gedaan.
Het zijn op zichzelf misschien kleine verschillen, maar bij een gedetailleerde reconstructie krijgen ze betekenis. De lezer wil niet alleen weten wat er gebeurde, maar ook wie waar stond, onder wiens bevel en op basis van welke bron wij dat weten. Daar komt bij dat Wisman militair jargon niet altijd consequent gebruikt. In het voorwoord wordt een pelotonscommandant geïntroduceerd als de term die wij tegenwoordig zouden gebruiken, waarna vervolgens wordt gesproken over een sectiecommandant die een sectie aanvoerde. Later worden secties ook als “groepen” aangeduid. Voor een lezer die niet vertrouwd is met militaire organisatie maakt dat het eerder moeilijker dan gemakkelijker om de gebeurtenissen te volgen.
De stemmen van de soldaten
Toch zou het onjuist zijn Duivelsberg daarom af te schrijven. De kracht van het boek ligt juist in de vele persoonlijke ervaringen. De soldaten worden geen anonieme onderdelen van een militair schema. Hun verhalen maken duidelijk wat oorlog voor individuele mensen betekende. Ook de chronologische opbouw werkt goed. Ondanks de tekortkomingen ontstaat geleidelijk een beeld van een strijd die steeds chaotischer wordt. Positief is bovendien dat Wisman ook aandacht heeft voor de duistere kanten van de strijd. Zo beschrijft hij gevallen waarin Duitse militairen na de overgave Nederlandse soldaten doodschoten. Zulke oorlogsmisdaden horen bij het verhaal en het is goed dat Wisman ze niet weglaat.
Daar staat tegenover dat hij elders kansen laat liggen. Bij de beschrijving van de slachtoffers wordt bijvoorbeeld weinig aandacht besteed aan het feit dat Duitse militairen Nederlandse krijgsgevangenen soms voor zich uit het vuur in stuurden. Ook het landschap waarin de gevechten plaatsvonden, met zijn boomgaarden en andere kenmerken, had de reconstructie aanschouwelijker kunnen maken. De titel Duivelsberg helpt daarbij evenmin. Het is een vertaling van het Duitse Teufelsberg, de benaming die Duitse militairen zouden hebben gebruikt omdat de Grebbeberg aanzienlijk meer weerstand bood dan zij hadden verwacht. Als titel klinkt Duivelsberg krachtig, maar hij geeft de berg ook een bijna mythische betekenis die niet helemaal past bij Wismans nuchtere, documentair bedoelde aanpak.
Een belangrijke tussenstap
Wie Duivelsberg leest, krijgt geen definitieve reconstructie van de strijd om de Grebbeberg. Daarvoor zijn de verschillende onderdelen van het verhaal nog te weinig met elkaar verbonden en worden beschikbare bronnen niet altijd zichtbaar in de reconstructie betrokken. Maar misschien moet dat ook niet de belangrijkste conclusie zijn. Het onderzoek naar de Grebbeberg staat niet stil. Onder meer Stichting De Greb heeft in de loop der jaren een enorme hoeveelheid materiaal verzameld en onderzocht. Als al die kennis, naast de vele persoonlijke verklaringen en militaire bronnen, ooit in één samenhangend verhaal wordt samengebracht, kan er een boek ontstaan dat de strijd niet alleen beschrijft, maar werkelijk inzichtelijk maakt. Misschien verschijnt dat boek nog eens, honderd jaar na de meidagen van 1940. Duivelsberg is dan een belangrijke bijdrage aan de weg ernaartoe. Het boek laat zien hoeveel er nog te vertellen valt en hoe moeilijk het is om de chaos van de Grebbeberg tot een samenhangend verhaal te maken. De individuele stemmen die Wisman aan het woord laat, zijn daarbij onmisbaar. Maar om de strijd werkelijk te begrijpen, moeten die stemmen uiteindelijk wel worden samengebracht in het grotere verhaal van de strijd. Dat definitieve boek is er, wat mij betreft, nog niet.
Door: Kees de Kievid
Datum: 10 augustus 2026
bron: www.boekenbijlage.nl/duivelsberg-derk-wisman/